Afwassen met zicht op de ring

We rijden Brussel binnen langs Haren, ik zie de eerste lichtjes met de eerste bewoners in de eerste appartementen. Afwassen met zicht op de ring. Spontaan denk ik: wat bezielt die mensen om hier te wonen? Budget, werk, familie, gestrand, in transit? De vraag bespringt me sindsdien op de meest onmogelijke momenten. Houden de Brusselaars van hun stad? Wonen ze hier graag? Is het hun eerste keuze? Hun keuze? Hoe lang wonen ze hier gemiddeld? Ik zie hoe de stukjes groen overspoeld worden bij de eerste zonneschijn. Ik zie die hoge gebouwen, die honderdduizenden levens, die evenvele interieurs. Het grijze, het kleurrijke, het dense, het gevarieerde, het mooie, het lelijke. Wie zijn ze, wat doen ze, wonen ze hier graag, de Brusselaars? Zouden ze verhuizen als het kon? Terwijl ik door de stad wandel en me afvraag of en hoeveel enquêtes er al gepeild hebben naar het woongeluk van mijn medestadsbewoners kijk ik naar omhoog. Als om het antwoord te illustreren zie ik hoe een schim in een onderlijfje vier hoog troosteloos naar beneden, naar mij, kijkt. Man, vrouw? Het kapsel geeft geen uitsluitsel, de contouren van het amorfe, roerloze lichaam evenmin. Zo rond de zestig, op het zicht niet blakend van gezondheid. Maar wat weet ik ervan? Een momentje voor je uitstaren, de regen en de grijsheid in. Wie weet is deze mens best gelukkig. Gezond. Natuurlijk kan ik de veelheid niet vatten van meer dan een miljoen mensen die elke dag opstaan en hun leven leiden. Hun diversiteit, menselijkheid, dagelijksheid. Ik prijs me gelukkig dat het regent. Het park is voor mij alleen.

Geef een reactie