Nederland stond als vakantiebestemming sinds een jaartje op mijn verlanglijst. Het verlangen naar ruimte, rust – de polders, een Irma of Marjolein die in de verte eitjes raapt terwijl de wind aanzwelt. De grote rivieren ook: de Rijn, de Waal, de Maas. Die krachtige blauwe levensaders, die het fortuin van de Nederlanders maakten en maken. Maar er waren nog andere plekjes, ik haalde de kaart erbij. De Biesbosch? Ooit beland, logistiek niet zo makkelijk om op de echt mooie plekjes te raken. De streek rond Nijmegen? De Waal als trekpleister, dorpjes met feeërieke namen als Berg en Dal – dicht tegen een Duits woud bovendien. Maar ik voelde het toch niet helemaal. Nederlands Limburg misschien? De streek rond het Geuldal of het drielandenpunt? Misschien te weinig verrassend, te veel gelijkend op Belgische landschappen. Wat dan met Zeeland? Uitwaaien moet daar wel mogelijk zijn. Maar ook daar leek het een logistieke heksenketel. De Veluwe kende ik al iets te goed (tenminste, was ik al twee keer geweest en liet nooit echt een verpletterende indruk na). En zo ging de blik op de landkaart noordwaarts. De Waddeneilanden. Als tiener met de fiets op Texel: ik herinner me vooral de tegenwind. Met het toenmalige lief een viertal jaren terug op Schiermonnikoog: fijne ervaring op het rif, die eindeloze witte zandvlakte (fijn voor mij, zij kreeg een acute aanval van diepe levensangst – een te veel aan leegte, het opkomende water, de angst in die zee te verdwijnen). Maar het was nu niet alsof de Waddeneilanden mijn hart hadden gestolen. Toch bleef mijn oog hangen op die hoogte daar, en ik strandde bij een prachtig huisje op Terschelling. Het Eilandhuisje van het Eilandmeisje. Gelegen op het eind van de weg. Niet zomaar een weg, wel dé weg. Nadien, verder, was er helemaal niks: alleen natuur. De Boschplaat, dat ook de status van Dark Sky Park versierde blijkbaar. In drie windrichtingen verzekerd van natuur – de vierde windrichting zou in de andere levensbehoeften voorzien. Restte me nog de logistiek te checken en die bleek minder omslachtig dan gedacht én goedkoop: trein, trein, trein, veerboot. Bij het terugkomen: veerboot, trein, trein, trein, trein.
De kuststrook en het wad stelden niet teleur: ik vond er Chinese sigaretten, een Deense trawlerboei, vogelskeletten, schelpen en stenen. Ik wandelde door de polders, genoot van het aanzicht van de bonkige paarden: werkpaarden maar toch elegant. Ongelooflijk elegant. Ik zag een fazant. Ik ging ’s nachts in het natuurgebied kijken naar de sterren maar het was volle maan. De wandeling richting Noordzee was fabelachtig van schoonheid – vaak waande je je in de Nevada-woestijn of zo: de duinen in de verte als grillige rotsformaties. Het kleurenpalet varieerde van strogeel over bruinrood tot grasgroen en diepblauw. Ik verdwaalde in de zompige vennen en duinen, ik liet me uitwaaien en genoot elke seconde van de ruimte rondom me. Natuur en zee zover het oog reikt. Ik voelde me de koning te rijk. ’s Avonds las ik ‘Eens Ging de Zee Hier Tekeer’ van Eva Vriend. Betoverende geschiedschrijving. ’s Nachts kon ik niet slapen van de wind die tegen het huisje beukte. De mensen die ik tegenkwam waren open, vriendelijk. In voor een praatje. Ik ging naar huis met een keelontsteking maar ik had wel de tijd van mijn leven. Drie dagen rust en ruimte – vreemd hoe zo’n korte ervaring zich blijkbaar toch kan nestelen in het lichaam en de geest. Ik denk dat ik wat anders naar bepaalde dingen ben beginnen kijken. Een vrije horizon, de wind, het getij, de golfslag. Er zit iets van beweging in, in dat eilandbestaan. Een mens is geen eiland luidt het spreekwoord. Misschien net wel, denk ik. Laat andere mensen maar aanmeren, toestromen, eventjes meedeinen en weer vertrekken. Een eiland is continu in beweging, groeit aan, kalft af, biedt weerstand maar plooit ook mee. Ik denk dat ik even mogen proeven heb van het befaamde eilandgevoel. Iets in mij fluistert nu al: trein, trein, trein, veerboot. En wie weet ben je thuis.



















Plaats een reactie