De bossen rond Farnières zijn een zegen. De vorige keer dat ik er was reden er tal van loodzware kiepwagens af en aan – gevuld met aarde om de brede, door beuken omzoomde, opgaande dreef te verharden. Ik vond het zonde, maar wie weet was het wel nodig om weer nieuwe vrachtwagens, tractoren en opleggers te verwelkomen – voor de boomkap en het stamvervoer.
Het bos is wondermooi voor verschillende redenen. De soortenrijkdom. De varens. De stilte. De paden die alle windrichtingen uitwaaieren. Af en toe een pijltje richting het meest nabije gehucht. Goronne. Farnières. Je bent in de natuur, maar niet afgesneden van de wereld. Er hangt harmonie in de lucht. Zouden in deze bossen ook edelherten leven, vraag ik me af. Hier en daar een goed gecamoufleerde jachttoren. Ik zie duizenden plekken waar dieren zich kunnen verschuilen. Haal mijn hart op bij de variatie: de plukjes dicht dennenwoud, de open plekken, de loofbomen, het struikgewas. Er is zoveel. En er zijn overal paadjes. Ik dwaal wat af van de route, geniet van het spel van licht en schaduw – een verschil van 10 graden op deze warme dag.
De gedenksteen is ronduit akelig. Ditmaal valt het mee. Het is een mooie, zonnige dag – de dood hangt niet in mijn gedachten. Maar toch: welk een macaber idee om hier de reiziger te vragen stil te staan bij zij die zijn heengegaan. Er staan twee jaartallen op. 1901 en 1806. Wat betekenen die jaartallen? Wie waren die mensen? En hoe zijn ze aan hun einde gekomen? Was het hier? In de buurt? 1806, het lijkt een eeuwigheid geleden. Zou de steen al zo oud zijn? Het is perfect mogelijk – enkele kilometers verder staat er een prachtig kapelletje uit de veertiende eeuw. Het afgebeelde gezicht is natuurlijk wat deze steen zo luguber maakt. Het lijkt een kindertekening. Maar dan wel eentje uit een boek van Stephen King. Dat mes ter hoogte van de keel. Of wordt het tussen de tanden geklemd? Het vileine litteken op de linkerwang. Onwillekeurig draai ik me om. Scan de omgeving. 1806 lijkt me veel te nabij.








Plaats een reactie